Het geslacht van Stramprade/Stramprode in Gelre

 

Inleiding

Bij mijn onderzoek naar de geslachtsnaam Stramrood of varianten hiervan (bijv. Stramproij) stuitte ik min of meer bij toeval op een Gadert of Godart van Stramprade/ Stramprode, die omstreeks 1400 muntmeester was in Gelre. Uiteraard was ik nieuwsgierig of er wellicht een verband zou kunnen zijn met het geslacht Stramrood/ van Stramproij, waar ik een afstammeling van ben. Via literatuuronderzoek ben ik het nodige te weten gekomen over deze "naamgenoot" en zijn nageslacht. Een familierelatie is er niet, want voor zover bekend, sterft het geslacht van Stramprade eind 15e eeuw uit.

Onderstaand het resultaat van mijn speurtocht naar deze Gadert.

Godart/ Gadert van Strampra(o)de Meester Gadert van Stramprade wordt voor het eerst vermeld op 26-7-1367 in een schuldbekentenis van Diederik Loef van Horn en Altena (1358-1374). Gadert blijkt dan gehuwd met ene Cylye. In een andere schuldbekentenis, gedateerd 25-4-1369, wordt hij "meyster Godert van Stramprade, muntemeyster des hertoghen van Gelren" genoemd. Blijkbaar is hij tussen deze twee data voor het eerst als Gelders muntmeester opgetreden.

Gadert is omstreeks 1340 geboren, vermoedelijk in of nabij Stramproij, als zoon van een zekere "Noyde". Hij trouwt eerst met Cylye en later met Bele, hoogst-waarschijnlijk een dochter van Jan van Uitwijk en Beerte Emons. In 1373 trad Gadert op als haar voogd.

Gadert overlijdt in 1394, tussen 11 juni en 20 december.

 

Zijn leven

Met "Stramprade" wordt de plaats Stramproij in de buurt van Weert bedoeld. Gadert of zijn familie moeten daar kapitaal hebben verworven, hetgeen behalve uit de later verstrekte leningen blijkt uit het bezit van grond en onroerend goed in die regio.

Zijn eerste standplaats als muntmeester is onbekend. Zijn regio van herkomst en latere verhuizing naar Arnhem doen vermoeden dat hij eerst in Venlo heeft gewerkt. Zijn verhuizing naar Arnhem zal wel samenhangen met de verplaatsing van de Gelderse Munt. In de stadsrekening van Arnhem 1370/1371 vinden we "magister Godefridus monetarius" onder de nieuwe burgers. Zijn vrouw Cylye was toen al overleden.

In de stadsrekening van Arnhem over 1370-1371 is sprake van overleg "cum magistro Godefrido monetario".

Over de periode 1371-1379 (successie-oorlog tussen Willem van Gulik en zijn vrouw Maria van Gelre versus Maria´s zuster Mechteld) zijn maar weinig bronnen bekend. Met zekerheid heeft Gadert weer als muntmeester gewerkt in de zomer van 1379 en wel in Harderwijk. De jonge hertog Willem van Gulik liet toen in Harderwijk een nieuw type munt slaan.

In de rekening wordt Gadert vermeld: "Item so betaelt Gadert onsen muntmeister van 303 lb. Was tot Herderwick, elcke pont vur X solidis, videlicet 151 pont X solidi, videlicet hondert ind 32 pont XI solidi denarii". "Van meister Gaidert den muntmeister geboert vanden slescat tot Herderwick van 565 marck gewegens, van elcke marck III witte groten, maek 42 olde schilde ind XV witte groten, den olden scilt gerekent te 30 olde plack, maek pont 6 s. 3 d., een olde plack gerekent vur 7 bl.".

Uiterlijk in 1381, maar vermoedelijk al in 1380, was Arnhem al weer de belangrijkste Gelderse muntplaats.

Op 11-2-1380 benoemde Hertog Willem van Gulick vier muntmeesters voor de periode van 6 jaar, t.w. Gadert van Stramprade, Henric Hertman, Johannes van den Putte en Gheerken van Hynsberge, en wel "in onser stat van Arnhem oft in anderen onsen steden daer hem des ghenoghet".

Gadert bleef muntmeester tot 1-2-1390. Per ordonnantie van 17-9-1381 gaf hertog Willem van Gulik opdracht nieuwe munten te slaan. Een muntmeester werd niet benoemd, maar op 13-2-1383 wordt aan Gadert en zijn partner Johan van Florense Thomassoen beloofd dat niemand anders dan zij in Gelre zullen munten. In het rekeningjaar 1383-1384 wordt Gadert vermeld als betaler van de sleischat (een soort provisie die de muntmeester aan de hertog moest afstaan).

In 1385 wordt Gadert in een Gelderse oorkonde van 12 januari benoemd tot "onsen munter" Hij kreeg in dat jaar de opdracht "onsen munten te slain ende te maken", evengoed en zo mogelijk beter dan die door de graaf van Holland te Dordrecht waren geslagen (zie Th.M.Roest: Le florin dit Strampraidschen Gulden, in het Tijdschrift Muntkunde 1895 en Revue Belge de Numisme 1896). Als zijn gezellen worden vermeld de gebroeders Johan Thomaes van Mechgelen en Bertholt van Mechgelen.

Op 29-7-1385 wordt Gadert door Hertog Willem van Gulick voor 6 jaar benoemd tot muntmeester.Blijkbaar werkte hij toen weer alleen; van andere muntmeesters of medewerkers is geen sprake.

In een acte d.d. 14-9-1386 wordt Gadert weer vermeld als muntmeester. Hij slaat niet alleen gouden munten maar ook "doijtken en halve doijtken". Onder zijn verantwoor-delijkheid is ook een nieuw type zilveren munt, de zogenaamde "herengroot" ingevoerd. Dit moet zijn gebeurd in het najaar van 1383 of begin 1384.

Gadert genoot als muntmeester ook buiten de Gelderse grenzen gezag. Op 10-10-1387 verklaren Johan de Grueter en Evert van der Weteringhe dat "meyster Godevaert van Stramprade" in Arnhem uitspraak zal doen in "twist ende sceel die wy onderlinghe ghehat hebben tot desen daghe toe, roernde van der munten tot Renen, daer wy in veynoetscap in ghemunt hebben van onss heren weghen van Utrecht".

Byzonder is dat einde veertiende eeuw veelvuldig, zelfs buiten Gelre, sprake is van een "Strampraadsche gulden" Deze munt werd op veel plaatsen als handelsmunt gebruikt vanwege haar intrinsieke waarde aan goud. In een koopakte van 1387 betreffende een huis in ´s Hertogenbosch werd betaling geeist in Strampraedschen guldens.

P.O. van der Chijs vermeldt in zijn boek De munten der voormalige graven en hertogen van Gelderland (Haarlem, 1852) de Strampraidsche gulden (twintich groet). In een oud aantekenboekje, in 1852 in bezit van de Heer C.Guilken, notaris te Roermond lezen wij:

"Nota van den Hertoghe off grove Munte. Item doemen schreiff die jaeren onss heren dusent hondert twee ende tachtig due dede onse here van Gelre slaen eijnre honde gulden; der vier golden drije alde sc. Dat was elken gulden witden gerekent. Item in ´t jair van LXXXV due maickde mengul mit den koper die golden XVIIII witden. Item in ´t jair van XCII due sluech men gulden geheten Strampraidsche gulden, elck stuk XIIII witden".

Gadert steeg snel op de maatschappelijke ladder, ook omdat hij in staat was de Gelderse Hertog Willem leningen te verschaffen. Een lening werd terugbetaald uit de Herfstbeden (Archief Graafschap Zutphen, 224/225).

In november 1385 verklaart Hertog Willem dat hij "VI hondert goide alde guldenen scilde" geleend heeft van Gadert. In 1391 verklaart Willem 1600 gouden Geldersche of Hollandsche guldens schuldig te zijn aan Gadert.

Op 24-6-1390 wordt Gadert door de Hertog van Gelre genoemd "onsen rade en vriende" en "onsen lieven knapen" (= niet tot ridder geslagen persoon) , benoemd tot ambtman en richter van de Veluwe.

Als rentmeester was hij de opvolger van van Steenbergen.

In januari 1391 wordt Gadert aangeduid als "overste rentmeester". De rekeningen over de boekjaren 1392-1393 en 1393-1394 zijn bewaard gebleven. De laatste loopt tot 1 maart; na die dag blijkt Johan Baliu landrentmeester te zijn. Deze opvolging lopende het rekeningjaar kan erop wijzen dat Gadert zijn einde voelde naderen. In ieder geval is hij later dat jaar gestorven.

In een oorkonde van 24-7-1390 wordt een Gerardo van Stramprade genoemd, wonende in de Betuwe, die getuige was bij een acte.

Op 15-6-1391 geeft Hertog Willem ,in verband met zijn tijdelijke vertrek, het bestuur over Gelre tijdelijk in handen van Johan van Hoentseler, Robbrecht van Apeltern en Gadert van Stramprade.

Gadert wordt nog vermeld in de jaarrekening van de Stad Arnhem van 1391.

Op 18-1-1391 werd voor ruim 16 ½ pond geconsumeerd door Richter en Schepenen en Raad van Arnhem, samen met " de meijster Godert, den rentmeister".

Op 24-6-1391 wordt Gadert aangesteld tot "amptman ende richter in den landen van Veluwen".

Op 23-1-1392 draagt Hertog Willem "onsen tholl tot Moldic ende van onsen renten van Middelar" over aan Gadert.

Op 17-3-1392 staat Gadert als "onsen rentmeijster" borg voor Marie van Brabant, zuster van Hertog Willem van Gulick en Gelre, terwijl hij op 7-4-1392 borg staat voor Willem van Gulick voor 1000 Rijnsche guldens.

Op 27-10-1392 doet Gadert aan de hertog de belofte de burcht en het slot van Ammerzoden in de Betuwe, ten noordwesten van Den Bosch, goed te beheren " mit op gerichten vingheren ende mit ghestaefden eden ten heilige geswoern". Interessant is dat omstreeks 1600 in Nederhemert en in Heusden (plaatsen in de direkte omgeving van Ammerzoden) de familienaam van Stramproij voorkwam.

De rekening van Gelre over het jaar 1392 stond op naam van Gadert van Strampraedt. In 1393 stond de hertog van Gelre bij hem in het krijt voor 7000 oude Schilden en 6000 Rijnsche guldens. Gadert mocht om die schuld te vereffenen in 1394 de tijnsen op de Veluwe en de helft van de broecken (= boetes) innen (acte d.d. 23-9-1393).

Ook was dat het geval in de Graafschap Zutphen en de steden Deventer, Zwolle en Kampen (oorkonde d.d. 16-1-1394).

Gadert moet in 1394 zijn overleden, gezien een oorkonde van 16-9-1396, waarin Jan Mecking van der Praast en Peter Pelgrimsz van Utrecht bekennen ontvangen te hebben de pacht van zeker huis, waarin wijlen Gadert van Stramprade in het jaar 1394 "des hertogs zaad, wijn en proviand plagt te leggen". "Int jaer Heren MCCC ses ende tnegentich, des saterdages op sante Lamberts avont des heijligen bisschops". De oorspronkelijke perkamenten brief (nr. 2009) is gesterkt met 2 uithangende zegeltjes in groene was.

Het is moeilijk te bepalen of het een natuurlijke dood was, want zijn opvolger toe Boecoop spant na zijn dood een proces aan tegen zijn weduwe Belije (ook Bele genoemd) voor een bedrag van 4000 guldens. Uit dit proces kan gekonkludeerd worden dat Gadert tot de adel werd gerekend en geen gewone dienstman was.

Mogelijk is dit proces de reden dat een register met tal van prive-gegevens over van Stramprade in het Hertogelijk Archief bewaard is gebleven. Het register (Cartularium van Gadert van Stramprade) geeft inzicht in bezittingen en verplichtingen van Gadert en kan dus bedoeld zijn geweest om na het genoemde proces af te rekenen.

In het Rijksarchief van Arnhem (doos met nr. 201-240) is het zegel van Gadert aanwezig. Het wapen op het zegel toont een keper, vergezeld van 3 vogels.

 

Zijn vermogenspositie

Financiele transacties vanaf eind jaren 1360 duiden op een stevig prive-vermogen waarover Gadert moet hebben beschikt. De voogdij over een afstammelinge uit het aanzienlijke geslacht van Uitwijk en zijn latere ambten, doen vermoeden dat hij stamt uit een familie, die zich een respectabele sociale status had weten te verwerven.

Voor de hertog van Gelre was hij een belangrijke financier, zowel als muntmeester als tijdens zijn landrentmeesterschap. De sleischat diende herhaaldelijk als afbetaling van de schuld van de hertog. Ook andere aanwijzingen wijzen erop dat Gadert zeer vermogend was. Zo betaalde hij in het boekjaar 1388-1389 aan de stad Arnhem een bedrag van bijna een kwart van de jaarlijkse inkomsten van de stad voor lijfrentes voor zijn vrouw en kinderen. Ook kocht hij in die periode nog 3 lijfrentes van de stad Venlo.

Behalve liquiditeiten bezat Gadert ook veel onroerend goed. Hij had bezittingen in Weert en Nederweert en in 1387 tot en met 1389 kocht hij veel aan in de stad Arnhem, waaronder de watermolen. Ook was hij eigenaar van het kasteel Harsselo bij Bennekom.

Gadert had goed voor zijn familie gezorgd. Na zijn dood in 1394 verkregen zijn weduwe Bele en zijn kinderen ruime pensioenen van de stad Arnhem. In de Stadsrekeningen van Arnhem worden in de periode 1395 tot 1427 lijfrentes vermeld ten gunste van zijn vrouw Bele en zijn kinderen Arnt, Peter, Derick , Johan en Beerte. De lijfrentes bedroegen 40 "olde scilde" voor Bele, 20 "olde scilde" elk voor de zoons en 10 "olde scilde" voor dochter Beerte.

De functie van Rentmeester

Wanneer Gelre steeds meer een aaneengesloten land wordt in plaats van een verzameling bezittingen van de Graaf van Gelre krijgt de relatie met de "onderdanen" een steeds zakelijker en financieler karakter. De controle op het financiele beheer was een onderdeel van deze relatie. De financiele administratie werd uitbesteed aan gespecialiseerde ambtenaren, de rentmeesters.

Vanaf 1282 komen er in Gelre rentmeesters voor.

De taak van de landsheerlijke rentmeester bestond voornamelijk uit het innen van pachten, tijnsen, tolgelden, belastingen etc. Daarnaast nam de rentmeester voor de landsheer bezit van de aan- of opwassen van een rivier.

De hoogst haalbare functie aan het hof was die van overste rentmeester, of landrent-meester. Als belangrijkste raadsheer verbleef hij in de onmiddellijke omgeving van de landsheer. Door zijn financiele bevoegdheden en overzicht was hij in staat grote invloed uit te oefenen op het landsbestuur en – beheer. Om deze functie uit te mogen oefenen moest de rentmeester kredietwaardig zijn, want hij moest geregeld grote sommen geld aan de landsheer voorschieten. Het was niet ongewoon dat diverse graven en hertogen enorme schulden bij hun rentmeester opbouwden. Naast zijn kredietwaardigheid moest de rentmeester ook van edele geboorte zijn om voor deze functie in aanmerking te komen.

Gadert was aanvankelijk muntmeester van Gelre, in 1389 en 1390 rentmeester, en van 1391 tot 1394 overste rentmeester.

Harsseloo

De naam van Stramprade is nauw verweven met het kasteel Harsseloo (zie Het huis Harsseloo en zijn bezitters, van Mr. J. Belonje in Gelre 1936).

Het kasteel lag in het kerspel van Berinchem (= Bennekom), beneden "den Nyen Greve", de oude naam voor de Dijkgraaf.

In de Middeleeuwen is voor de Gelderse Vallei , grensgebied van Gelre en Utrecht, de slechte verstandhouding met het bisdom Utrecht van grote betekenis geweest. De oorzaak van de regelmatig terugkerende twisten was dat de Hertog van Gelre de Veluwe in achterleen had van de bisschop van Utrecht en dit als zijn territoir beschouwde. In de Middeleeuwen werd er daarom in deze streek veel gevochten. Ter verdediging van de streek heeft de Hertog van Gelre er een aantal kastelen laten bouwen, waaronder het kasteel Harsseloo. Andere kastelen waren Pakhuis, Hanepol, Fikkenest, Nergena en Tarthorst. Namen die herinneren aan versterkte huizen, havezaten of ridderhoven, de bezittingen van strijdvaardige leenmannen. In ruil voor hun inzet en steun aan de Hertog van Gelre of de bisschop van Utrecht kregen die middeleeuwse ridders de omliggende grond in hun bezit.

Op het vroegere kasteelterrein is Karolingisch aardewerk aangetroffen, hetgeen wijst op de hoge ouderdom van Harsseloo als vestigingsplaats. De Karolingische tijd was van 750 tot 900 na Christus.

Het kasteel Harsseloo was "leenroerig" aan de Heerlijkheid van Doorwerth.

Van de bezitters van Harsseloo is in tegenstelling tot vele andere kastelen vrij veel overgeleverd. De oudste akte die op dit huis betrekking heeft is een transport, aangetroffen in het Cartularium van Gadert van Stramprade, gedateerd "Sente Ponciansavont" van het jaar 1388. Dit Cartularium is aanwezig in het Rijks Archief te Arnhem (Hertogelijk Archief, toegang 0001, inventarisnummer 28).

Ten overstaan van Aernt die Haese als landrichter van de Veluwe en zijn gerichtslieden Johan van Doerinc, de gebroeders Dirk en Jan van Avezaet, Jan van Brienen, Brant van Delen en anderen, verschenen Henrik van Brienen Engelbertszoon en jonkvrouw Belije, zijn echtgenote, om aan Rutger van Renwic over te dragen "een huijs ende hofstat dat geheiten is Hersloe, gelegen in den kerspel van Berinchem, mit hondert ende twijntich mergen lands, naest Hersloe gelegen, beneden den Nijen Greve", als vrij, eigen goed, behoudens een twaalftal morgen, belast met een uitgang (Tijns) ten bedrage van 30 grooten ten behoeve van de Hertog van Gelre.

Volgens de lijst van de Leenverheffingen van Doorwerth ging Harsseloo in 1389 over aan Saris van Stramproede, die er toen ook mee beleend werd. Vermoedelijk is Saris identiek aan Gadert. In het Cartularium komt namelijk nog een akte voor, waarbij Rutger van Rentwic, tezamen met zijn echtgenote Alverne, te Ede voor Arnt thoe Boecoop, de toenmalige Richter van de Veluwe, en de gerichtslieden ridder Walraven van Wije, Arnt en Goesen van den Gruithuijs, Johan van Sallant en Randelf van Hokelem, op woensdag na St. Jacob "nae Sente Peters ende Pauwels dach der heijliger apostelen" het goed Harsseloo overdragen aan Gadert van Stramprade. Woensdag na St. Jacob "den heijligen apostel" zowel als donderdag na St Laurens martelaar van datzelfde jaar 1389, werd door de verkoper kwijting verleend voor de betaalde koopsom, ten bedrage van 302 ½ Geldersche guldens. Door de comparanten werd de koper vrijwaring beloofd, onder borgstelling van een negental edelen.

In 1390 had Gadert zich veel moeite gegeven, tezamen met de ambtman van de Veluwe, Arnt thoe Boecoop, om een verdeling tot stand te brengen tussen de venen van Wageningen en die van Ede. Toen dit werk de goedkeuring van hertog Willem van Gulick kreeg, ontving Gadert hiervoor als dank van Dirk van Lijnden en de gemene erven van Manen, 12 morgen veen. In de Geschiedenis van Ede, 1980, deel II, blz. 49, staat vermeld: "In het jaar 1390 zijn er door bevel van Hertog Willem van Gulick in het bijzijn van Arnd toe Boekop, Ambtman en Richter en Godert van Stamprode, Rentmeester van de Veluwe, 14 beedigde mannen gezet, die na gedane scheiding, aan de geerfden van Wageningen en Bernichem de zuiderzijde, en aan de erfgenamen van Maanen de noorderdelen van het Gemene Veen hebben toegewezen".

Ook op andere wijze breidde Gadert zijn bezit ter plaatse nog uit. Uit een andere akte in het Cartularium blijkt dat hij van de erven van Laecmonde 6 morgen en 1 ½ hont land overnam, gelegen onder het Kerspel Bennekom, gedeeltelijk reeds aan zijn grond grenzende, alsmede een perceel van 10 morgen en 2 hont heide, gelegen tussen 2 gemene "steghen" (de plaatselijke benaming voor landwegen).

Ook in het volgende voorjaar kocht hij in de direkte omgeving ter plaatse weer grond bij, want toen nam hij van de oude eigenaar van Harsseloo, Henrik van Brienen, een stuk van 8 morgen, 4 hont en 12 roeden over dat uit het land door van Brienen aan Rutger van Lawick overgedaan, na meting bleek te zijn overgeschoten. Hierbij bleef het niet, want in hetzelfde jaar 1391 volgde opnieuw een aankoop van diverse goederen, de meeste op "Hoekelemer werft" gelegen tussen de Veensteeg en de landscheiding tussen Gelre en het Sticht Utrecht.

Alhoewel de lijst van beleningen van Harsseloo aangeeft dat Saris van Stramproode in 1393 opnieuw met dat goed werd beleend, en daarna opnieuw in 1422 en 1439, is het waarschijnlijk dat de belening in 1393 Gadert betreft, terwijl de verheffingen in 1433 en 1439 zijn leenopvolgers betreffen. Vervolgens wordt in de lijst vermeld Arndt van Stramproode, die in 1495 in dit leen wordt bevestigd.

Het is de vraag of deze vermeldingen wel precies kloppen. In het Tijnsboek van Ede vinden we dat Godefridus, kleinzoon van Gadert, de eigenaar is van Hersloo. In " Marken op de Veluwe" van Sloet (1871) staat geschreven dat de kleinzoon van Gadert de zoon Arndt opvolgt, o.a. voor goederen onder Emst bij Ede. De dochter van deze Godefridus, t.w. Ursula, Saris of Jola van Strampraede, was gehuwd met Derck toe Boecoop, een jongere zoon van Arend toe Boecoop, de stichter van de stad Elburg. Zij wordt vermeld als de erfdochter der Stramprades; door haar huwelijk is het goed Harsseloo in handen gekomen van de Toe Boecoops.

Op 8-6-1506 beleent Margriet van Homoet, dochter van Reijnald van Homoet en Sophia van Bijlandt, weduwe van Johan van Rechteren, genaamd van Voorst, vrouwe van Doorwerth, Arnt van Boecoop met het huis Harsseloo na de dood van zijn vader, die dit niet beleend was geweest.

Op 27-4-1621 worden te Doetinchem huwelijksvoorwaarden vastgesteld tussen jonkvrouw Agnes van Boecop en Henrick van Eck tho Medler en Walien. Henrick wordt door dit huwelijk beleend met het goed Harsseloo.

In 1679 wordt Johan van Arnhem eigenaar van het goed, waarna Harsseloo in 1721 vererft naar het geslacht van Wassenaar en daarna naar het geslacht Torck.

In 1814 wordt het verwaarloosde kasteel afgebroken. Het poortgebouw van het kasteel is overgebleven en draagt de toepasselijke naam "De Poort". Het poort-gebouw, dat nu een rijksmonument is, staat ten oosten van de Harsloweg en is in gebruik als boerderij en eigendom van de familie Kroesbergen.

 

Genealogie

In een oorkonde van het jaar 1299 van de Abdij van Thorn, is sprake van een acte van vergelijk tussen de Abdis en de pastoor van Thorn. Het ging om de inkomsten van die pastoor, die hij o.a. trok uit het dorp Stramproij, dat toen nog geen zelfstandige parochie was. In deze oorkonde vinden we de zin : "grossa de terris dictis Kerkelant in Stramprode et in Baex (= Baaksem) existentibus minuta, de domo et curte Godescalci aput Stramprode".

Domo et curte betekent dat er te Stramproij een stenen huis en een hof was, beheerd door een zekere Godescalcus (Godschalk = dienaar van God). Zo´n hof had een administratieve functie in het beheer van grootgrondbezit en in de lagere rechtspraak over de laten en horigen. Dit betekent dat er te Stramproij een dienstman woonde, vermoedelijk van de graaf van Horne, die voogd was over Thorn, welk voogdijschap deze in leen had van de Heren van Gelre. Ook deze Godescalcus moet in een soort dienstmansbetrekking tot de Heer van Gelre hebben gestaan.

Mogelijk was deze Godescalcus een voorvader van onze Gadert.

Uit de schepenassignaten van Arnhem blijkt dat Gadert nog twee broers had die in Arnhem leefden.

Op basis van de gevonden gegevens en met enige speculatie kom ik tot de volgende genealogie:

 

I Godefridus/ Godescalcus

Leefde omstreeks 1300 te Stramproij.

 

II Noyde van Stramprade

Leefde in de eerste helft van de 14e eeuw te Stramproij.

Kinderen:

1. Godschalk van Stramprade

Leefde in de tweede helft van de 14e eeuw te Arnhem.

Kinderen:

1. Arnt van Stramprade. Trouwt met Christina.

2. Derick van Stramprade. Was kerkmeester van de Moederkerk te Arnhem. Trouwt met Ernstken.

Derick wordt vermeld op 1-9-1439: "Wynant Ridder en Steven van Brienen, schepenen te Arnhem, oorkonden dat Johan die Rait aan Derick van Stramprade Goitschallixsoen en Henrick Gerritssoen, kerkmeesters van de Moederkirche te Arnhem t.b.v. de kerk een jaarrente van ½ oud schild heeft overgedragen, te betalen op 1 mei, uit zijn huis en hofstede, voorheen van Golde Hovelhuijs, gelegen in de Weverstraat tussen het goed voorheen van Derick Doess van den Gruijthuus en huis en hofstede van Gadert Emmelrixsoen onder beding dat deze rente tot 1-5-1443 mag worden afgekocht". (Archief Burgerweeshuis te Arnhem).

3. Jacob/Cerijs van Stramprade. Trouwt met Elisabet.

Op 12-9-1438 oorkonden Johan van Zallandt en Steven Ploich, schepenen te Arnhem, dat Cerijs van Stramprade en zijn vrouw Lijsbeth aan Johanna van Gijese, voor haarzelf en Johan van Hopsten, haar man, een jaarrente van 1 oud schild hebben overgedragen, te betalen op Sint Victor, uit huis en hofstede genaamd de Hoijberch aan de Nijen Marckt, bezit van Cerijs en Lijsbeth en thans door dezen bewoond" (Archief Burgerweeshuis te Arnhem).

2. Jan van Stramprode

Kinderen:

1. Arnt van Stramproide Janssoon

Krijgt in 1413 het gelders leen Pepersgoet "gelegen in den kerspel van Hoeflaken, andat oosteijnde streckende an Appelbroeck met alle sijnen toebehorenden" opgedragen van Volcken van den Stal (verlenging volgt in 1424). Hij was gehuwd met Udela Servaesdochter van Aller, dochter van Hendrik van Aller, die weer een zoon was van Servaes van Aller, ambtman van Paderborn (de Nederlandse Leeuw 1912, blz. 40). Udela Arntsz "wijff van Stramprade" betaalt een 4e deel van de Allerskamp. Later is Arnt gehuwd met ene Gertrud. Udela is dan overleden en in 1426 "tuchtigt Arnt zijn tweede vrouw Gertrud an 18 alde schilden ´s jaars".

In 1431 draagt hij het leen Pepersgoet over aan Bronis van Merfelt.

2. Belia Jansdochter van Stramprode

Plm. 1400 is er sprake van een Jan van Dongen alias van Ghilse, geboren ca 1380 als bastaardzoon van Willem van Dalen, heer van Dongen, en Elisabeth Wiericx, die bij Jonkvrouwe Belia Jansdochter van Stramprode een natuurlijke zoon verwekte, t.w. Willem van Ghilse (De Nederlandse Leeuw 1971).

Deze Jan van Dongen had van zijn vader de hoeve de Lichtenberg in erfpacht gekregen.

In 1446 compareert Jonkvrouw Beel Jansdochter van Stramprode inzake deze erfpacht door haar verkregen van Jan (vermelding in de Bossche Protocollen).

3. Gadert van Stramprade, volgt III.

 

III Gadert van Stramprade

Geboren ca 1340 te Stramproij en overleden te Arnhem tussen 11-6-1394 en 20-12-1394.

Trouwt 1e met Cylye/ Celeken, overleden voor 1373, en trouwt 2e met Bele, dochter van Jan van Uitwijk en Beerte Emontsdochter. Bele overlijdt ca 1419; na dit jaar wordt zij niet meer vermeld in de Stadsrekeningen van Arnhem als ontvangster van een lijfrente.

In het Rijks-archief te Arnhem is van Gadert een zegelafdruk aanwezig. Het wapen op het zegel vertoont een keper, vergezeld van 3 vogels. Het randschrift is geschonden.

Kinderen:

1. Arnt / Arend van Stramprade

Was zijn oudste zoon, vernoemd naar de grootvader Noyde (van Arnoldus).

Studeerde in Heidelberg (1388) en Keulen.

Staat in Keulen vermeld op de lijst van studerenden aan de Hogeschool aldaar in het eerste jaar na haar oprichting van 22-12-1388 tot 5-2-1390 onder de naam Arnoldus Muiujnter alias Stamproede,Trajectinis Diocenes.

Vermeld als Schepen van Arnhem in 1400, 1401,1404 en 1405; Raad van Arnhem in 1411.

Wordt in 1392 benoemd tot rentmeester van de Veluwezoom. In 1398 wordt hij vermeld in de Stadsrekeningen van Arnhem als wonenden te Hersloe.

In 1400 werd aan hem "van restant van sinen hoijgelde van 1 jaer" 8 gulden uitbetaald. Arend was ook muntmeester te Deventer. Wordt vermeld in een akte d.d. 25-1-1415 ("Op sunte Paulus avent Conversio"): "Bisschop Fredric magtigt met goedvinden van zijn Raad en van de hoofdsteden van Sallant, Deventer, Campen en Zwolle, voor de tijd van 3 jaar Adriaen Peter Schaertssoen tot muntmeester te Deventer als opvolger van Arend van Stramproide" (Oud-Archief Overijsel VI-223).

Wordt in 1413 burger van Deventer en betaalt voor dit "burgherschap" 5 gl. en 15 pl.

In de Stadsrekeningen van Deventer komen we Arnt enkele malen tegen:

9-10-1416 "des vrijdages daer na bij Lubbert Johanssoen 2 cameners Johan van Doernic, Andries Arendssoen, Coenrat ten Dune ende Johan van Graes die mit Arend van Stramprade ende Bertolt Posteidenbecker

bi gebiete der scepenen dat payment proveden des avonts en des middags voer teringe ende anderen onraet die daer up ghenc te gader" 8 gl. en 3 pl.

Mei 1417 "Up den selven dagh bi Andries Arendssoen ende Dyric Zuerpeer, meister Arent van Stramprade die dat nye Burgundische payment gheproeft hadde voer sijn arbeid 2 Rijns gl. Ende voer colenvoer loet ende anderen onraet ende voer teringhe" 1 gl. En 2 pl.

5.1.1418 "Des woensdaghes daer na Lambert die gelopen was te Campen ende te Zwolle dat wi den bisschop an Utrecht bistendich wesen sollen thegen den greven van Benthem ende die Hasselschen placken te teijken die Arent van Stramprade sloech" 10 pl.

20.9.1419 "Des wonsdaghes up Sente Matheusavont bi de 2 cameners ende Arent van Stramproij doe Steven Gelmer van Apeltoren 1900 sch. betaelde verteert" 1 gl. en 14 pl.

18.6.1423 "Des vridaghes daer na Herbert Splithof, Andries ter Bruggen ende Derick Zuerpeer die bij Arent Stramprade ordinierden ende opsatten zesterleije tune voer teringe Arends arbeid" 6 gl., 22 pl. 4 br.

4-8-1425 "Des saterdaghes na Sente Petersdach ad vincule der stat boede van Campen die enen brief brachte inholdende dat sie begeerden den rechtdach tusschen Herman ende Albert van der Vecht/ ende Aernde van

Stramproede te verversten gegeven" 3 pl.

Arnt overlijdt na 1437. In het Oud-Archief Arnhem vinden we hem nog vermeld op 22-2-1437.

In de Maasgouw van 1881 (blz. 446) wordt vermeld dat op de lijst van studerenden aan de Hoogeschool van Keulen in het eerste jaar na haar oprichting (1388-1390) een zekere Arnoldus Muijnter, alias Stramproede, Trajectensis Diocesis, voorkomt. Verder lezen wij in de Maasgouw van 26-2-1880 "Bij akte van des donredach naden heiligen Paeschdach 1416, bekent Aerndt van Strampraede van Bertolt Mertenszoon namens de stad Venlo ontvangen te hebben 20 oude schilden, hem jaarlijks wegens lijfrente verschuldigd". Het stuk, dat in 1880 in het bezit was van de familie Keuller te Venlo is voorzien van het zegel van Aerndt, zijnde een keper vergezeld van 3 vogels (is identiek aan het wapen van zijn vader).

In een akte van 22-2-1437 wordt Arnt nog vermeld: "Lijsbeth, vrouw van Egen Merre van Tuijle bekragtigt de verkoop door haar man aan Arnt van Stramprade Goitschalkszoon en Henric Munter van een huis en hofstede voor de St. Johanspoort, vroeger toebehorend aan heer Henric van Homoit".

Arnt had een zoon Godefridus, wiens dochter Saris trouwt met Derck toe Boecoop.

2. Engel (kinus) van Stramprade

Zoon van Gadert en Celeken.

Kreeg op 21-5- 1391 wegens trouwe diensten aan de hertog bewezen, een woonhuis op de Nije markt (nu Korenmarkt) te Arnhem en het recht om er wijn te tappen tijdens de jaarmarkten. Het huis en de vergunning van de wijntap verkreeg hij erfelijk (AGZ 289).

Van 1423 tot 1447 bewoonde hij het oude Munthuis aan de Nieuwe Markt, naast de hertogelijke Die Hoeijberg. Gedurende deze periode betaalt Engel 2 ponden per jaar uit dit huis. Mogelijk had de betaling iets te maken met de lossing van 6 pond jaarlijks of 90 pond ineens van Enghel den Munter in 1386 aan de stad (rekening Stad Arnhem). Vermoedelijk zijn Engel de Munter en Engel van Stramprade identiek.

3. Derick van Stramprade

Derick vinden we in de jaren 1413-1426 terug als Commandeur van de Orde van Sint Jan, een orde als de Duitse Orde, en wel op St. Jansdal bij ´s Heerenloo onder Harderwijk.

Op 27-3-1413 (des Manendaigs nae Ons Lieven Vrouwendach Annunciatio) "oorkonden Sander Tengnegel en Johan die Gruter Derijckszoon, schepenen te Arnhem, dat Johan Goethals en zijn vrouw Beerte hebben overgedragen aan heer Dirck van Stramprade ten behoeve der financien van St. Johan te Arnhem, ter memorie van Hille Goethals, een rente van 1 pond ´s jaars gaande uit een huis en hofstede van Henric Oldenwijer".

Derick wordt ook vermeld in een akte d.d. 28-6-1425 (in virgilia Petri et Pauli apostolorum) : "Broeder Johan Vijsscher, prior, en het Convent van St. Johannes Daell bij Harderwijck der Orde van St. Johan, machtigen hun commandeur Derick van Stramprade, hun pachten en renten te verdedigen voor alle geestelijke en wereldlijke gerichten en alle erven, guldens, tijnsen en molens van het Godshuis, met Calenbroick en toebehooren en de andere landen of goederen, te verpachten of te verhuren, behalve in erfpacht"

(beide actes vermeld in: J.Loeff, Het archief der Commanderij van St. Jan te Arnhem, Den Haag 1950).

In het archief van de Paulusabdij te Utrecht bevindt zich een Acte van Machtiging uit het jaar 1426. Dirck van Strampraede, commandeur van 's Heerenloo bij Ermelo, Gerrit Negel, commandeur te Kallenbroek en broeder Hilbrant Pothoff van de Johannieterorde worden gemachtigd om de vaste abdij-inkomsten op de Veluwe en in de Betuwe te innen.

4. Schakart van Stramprade

Met een acte van 1-2-1390 wordt Schakart, samen met Arnt Wirt van Johanssoen aangesteld als muntmeester van Arnhem. Omdat Gadert in 1385 het munt-eesterschap voor een periode van 6 jaar had verkregen, vindt deze aanstelling met zijn goedvinden plaats.

Mogelijk is deze Schakert een zoon van Gadert uit zijn eerste huwelijk. Het kan echter ook zijn dat hij een broer van Gadert was.

5. Beerte van Stramprade

Was in 1413 gehuwd met Johannes Goethals. Zij kreeg als morgengave (bevestiging van het huwelijk na de eerste huwelijksnacht) het halve leen "gheheiten Capijnkensgoet" bij Arnhem. Johannes Goethals was de zoon van Willem Tolkens (vermelding in De leen-, keurmedige en tijnsgoederen van de Sint Salvatorabdij te Prum in Gelderland, van A.J.Maris, 1934, Vereniging Gelre).

Het leen Capijnkensgoed was in 1405 in het bezit van Hilla, de eerste vrouw van Johannes Goethals. Even voor 1417 is het leen in handen gekomen van Henric van Aller.

Beerte overlijdt na 1-5-1432.

6. Johan van Stramprade

Was kanunnik van de St. Walburgskerk te Zutphen.

Overlijdt ca 1422-1423. In 1422 ontvangt hij nog een lijfrente, waarbij wordt vermeld "Ende mit desen termijn is her Johan van Stramprade gestorven".

In het Oud Archief van Venlo bevindt zich een Charter, gedateerd 25-5-1403 die (verkort) luidt: "Op sent Urbanusdaech Johan van Stramprade, Goedarts zoon, kanunnik te Zutphen en priester, draagt over aan Johannes van Karile den jongen, 10 alde schilden lijfpensen, die hij nog geldende heeft". Gezegeld door Arnold van Lome, schepen van Venlo.

Wordt ook vermeld in de Stichtingsbrief van het Keppels- of Keppelmanshuis te Zutphen, d.d. 10-5-1415, welke als notariele akte wordt gepasseerd voor notaris Wernerus Glasemaker.

De inhoud van de stichtingsbrief van 1415 was als volgt: In 1415 stond Evert van Keppel, kanunnik van de St. Walburgskerk, zijn huis aan de Zandmarkt naast de proostdij ter bewoning af aan 10 arme mensen (5 mannen en 5 vrouwen). Zij zouden op de benedenverdieping wonen, de bovenverdieping stond hij gratis ter bewoning af aan de vicaris van het Drie Koningen- altaar en aan die van het St. Bartholomeusaltaar. Daarvoor moesten zij evenwel het gehele huis onderhouden en ieder jaarlijks een half pond aan brandstof voor de armen van het huis besteden. Ontvingen zij later enige rente dan moesten zij daarvoor brandstof kopen.

Beide vicarissen werden de provisoren van het gesticht. Konden zij het niet eens worden dan moest de deken der St. Walburgskerk beslissen.

Al wat de armen in het huis meebrachten, zou na hun dood daarin blijven. Wie erin opgenomen werd, moest daarom voor deken en kapittel bekennen, wat hij achter zou laten.

7. Griete van Stramprade

8. Godert van Stramprade

9. Peter van Stramprade

Overlijdt in de herfst van 1432.

 

In de Stadsrekeningen van Arnhem van 1424/1425 vond ik nog een Rutger van Stramprade met de volgende vermeldingen: "Van beslach dair toe aen silver ende dat beslach te maken; Rutger van Stramprade 4 Arnh. Gl., 13 bl., 2 gr.". "Rutger van Stramprade om silver beslach totten kovelen 8 Arnh. Gl. tot 52 bl. Ende dat gewant te scheren ende die kovelen te maken".

Hem heb ik niet in de genealogie kunnen inpassen.

In een acte d.d. 24-9-1346 van het Klooster der Predikheren te Maastrcht wordt vermeld notaris Wilhelmus de Stamprode. Ook hem heb ik niet in deze genealogie kunnen inpassen.

Na deze tijd verdwijnt de naam Stramprode/ Stramprade vrijwel. In 1588 (3 april) vinden we nog de vermelding van een Arnold van Stramprade, die op zoek was naar een plaats als kanunnik in het kapittel van Oldenzaal. Hij werd echter afgewezen, evenals voor een pastoorsplaats te Goor. Vermoedelijk was hij niet zuiver in de leer; volgens de Bisschop van Deventer, Egidiud de Monte, had hij als student te Keulen te zeer de vagant uitgehangen. (Verslagen en Mededelingen van Overijssels Regt en Geschiedenis, 1885).

In het Oud-archief van Elburg vinden we in 1577 een verklaring van pastoor Henrijck Stramperade over de verhuring van enige stukken land aan Johan Andriessen.

 

Familiewapen

In de Heraldiek-kollektie Musschart wordt het geslacht van Stramprode/ Stramprade vermeld. Verwezen wordt naar Willem Stramprode, 2-10-1420, Schepen tot Velp, en naar Godart van Stamprade, in 1392 Rentmeester van Gelre. Van de laatste is een zegel aanwezig in het RA te Arnhem. Het wapen op het zegel toont een keper, vergezeld van drie vogels; het randschrift is geschonden.

 

Literatuur

Sloet - Marken op de Veluwe (1871). Tinsboek van Ede.

Th. M. Roest, Le florin dit Str. Gulden, in Tijdschrift Muntkunde 1895.

Mr. J. Belonje, Het huis Harsseloo en zijn bezitters, in Bijdragen en mededelingen Gelre 1936.

J.A.Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland.

W.J. De Voogd, Aanteekeningen over de leg- en rekenpenningen van de Geldersche Rekenkamer.

Dr. Wilhelm Schmitz, Mitteilungen aus akten der Universitat Koln.

Munten van Overijsel, Haarlem 1852.

Munten van Utrecht, Haarlem, 1852.

Munten van Gelderland, Haarlem 1852.

De geschiedenis van Ede.

C.L.Th.Verkerk, Coulissen van de macht, 1992.

P.A. Van der Chijs, De munten der voormalige graven en hertogen van Gelderland.

Stramproijer momentopnamen uit heden en verleden, Stramproij 1983.

Jos Benders en Paul Moors: Gadert van Stramprade, In Biografisch woordenboek Gelderland, Hilversum 2005.

W.J.Alberts (ed.) De stadsrekeningen van Arnhem, 4 delen, Groningen 1967.

De Stadsrekeningen van Deventer, uitgegeven door G.M. De Meijer.

Copyright © Ar Stramrood 2014