Groefbidders

Bijzonder voor de stad Utrecht is, dat niet alleen de begraafregisters al vanaf ca. 1625 bewaard zijn gebleven, maar dat ook vastgelegd werd waar en hoe de overledene werd begraven en wie de groefbidder was.
Dit was een gevolg van een bepaling van de Vroedschap van Utrecht d.d. 22-9-1623, waarin werd vastgelegd dat alle doodgravers en bidders van de stad Utrecht binnen 24 uur de namen en woonplaatsen van de door hen ter aarde bestelde personen moesten doorgeven aan de secretaris van het Gerecht. In het jaar 1625 werd in plaats van de secretaris de klerk van de Momboirkamer (= Weeskamer) aangewezen als de persoon bij wie deze opgaven moesten worden gedaan. Vanaf het jaar 1640 moesten de doodgravers en bidders tevens opgeven of de overledene kinderen of andere verwanten had nagelaten. Deze aangiften dienden ertoe om de ordonnantiën op het scheuren van lijklakens en het overluiden van de doden te kunnen uitvoeren en de begrafenisrechten te kunnen innen, die elk voor de helft ten goede kwamen aan de Aalmoesenierskamer en de Ambachtskamer. De aangiften waren ook bedoeld om de Collaterale successierechten te kunnen innen. Tevens werd hierdoor de Momboirkamer in de gelegenheid gesteld om, waar nodig, voogden te benoemen.

Door deze registratie raakte ik geinteresseerd in het onderwerp “ groefbidders” en heb ik verder onderzoek gedaan.

Begraven in Utrecht

Tot in de 19e eeuw werden de doden begraven in de kerk of vlak daar buiten op het kerkhof. Armen werden in Utrecht begraven in de 4 parochiekerken, t.w. de Jacobikerk, de Buurkerk, de Nicolaaskerk en de Geertekerk. De beter gesitueerden in de voormalige Kapittelkerken, t.w. de Janskerk, de Pieterskerk, de Domkerk en de Mariakerk. De inkomsten van de kerken bestonden uit het verhuren van de lijklakens, de baar en het baarkleed en het luiden van de kerkklokken bij de begrafenis. Op het begraven in stilte bij nacht en ontij en op het elders begraven stond een hoge boete. Deze boete was ingesteld omdat anders de begrafenisrechten werden ontdoken. Het bij nacht begraven werd door deze boete een dure en luxueuze aangelegenheid, die bij welgestelden vaak de voorkeur genoot.


Het gilde der groefbidders

In het Stadsarchief II, toegang 702, inventarisnummer 461-2 vond ik een groot aantal Resoluties van de Vroedschap van Utrecht betreffende groefbidders. De oudste Resolutie dateert van 18-12-1628, de oprichtingsdatum van het Gilde der groefbidders. Deze resolutie bevat 26 artikelen, waaronder een artikel waarin wordt vastgelegd dat een groefbidder burger van de stad Utrecht moest zijn.

In 1790 wordt het gilde opgeheven; er waren toen 6 groefbidders lid.

In het jaar 1650 waren er 16 groefbidders aangesloten bij het gilde. In een Resolutie d.d. 24-4-1660 wordt het aantal groefbidders vastgesteld op 12, terwijl op 17-6-1670 het aantal wordt uitgebreid tot 18.

In het jaar 1700 wordt door de gildeleden een ziekenbus ingesteld. Bij ziekte of overlijden van een gildelid werd de weduwe uit deze bus ondersteund.

 

Ik beschik over de gegevens van plm. 100 groefbidders die in de periode 1600-1800 in Utrecht werkzaam waren.U vindt ze in onderstaand overzicht.

 

Mocht u meer willen weten, neem dan contact op.

Copyright © Ar Stramrood 2014